In deze hoofdstukken gaat Paulus in op de vraag wat nu de bijzondere roeping van Israël nog betekent als we zien dat de "zaligheid tot de heidenen gezonden" is. Houdt die roeping nu op? Nee, zegt Paulus. God zal tot Zijn doel komen. Hij laat dan eerst zien dat God Israël uitverkoren heeft als volk. Dat Hij anderen (bijv. Farao) gebruikt heeft om Zijn volk Zijn macht en grootheid te laten zien. Maar ook laat hij zien dat op individueel niveau de zegeningen en zaligheid alleen bij de gelovige terechtkomt. En daar stuiten we op een probleem van Israël als volk. Als volk verwierpen zij de beloofde Messias en kunnen daardoor niet gerechtvaardigd worden. Hij was Gods enige weg tot rechtvaardiging. En de heidenen die daar helemaal niet naar zochten hebben door geloof gewoon deel gekregen aan Gods rechtvaardiging. En omdat het volk Israël als volk het evangelie in Handelingen verwierp zijn zij op dit moment niet Gods volk maar zijn zij op hetzelfde niveau gekomen als ieder ander volk. Slecht individuen koemn tot geloof en worden aan de gemeente toegevoegd. Hoe Gods plan met dit volk verder gaat zullen we zien in Rom.11.
Na Gods verkiezing van Israël te hebben besproken in H.9 heeft de apostel ons in H.10 laten zien dat Israël haar Messias verworpen heeft en dat God haar haar privileges heeft afgenomen. Hieruit zou men de conclusie kunnen trekken dat Israël als volk heeft afgedaan. Maar niets is verder naast de waarheid. Het feit dat het volk een andere rol heeft gekregen wil helemaal niet zeggen dat de individuele nakomeling van Abraham, Izak en Jakob afgedaan heeft voor God, maar evenmin dat Israëls rol permanent voorbij is. Paulus laat hier zien dat juist die verwerping een grote rol in Gods historisch heilshandelen heeft en Hij die ten goede gebruikt. Maar evengoed zal God al Zijn beloften aan Israël in de toekomst vervullen. De heidenen, die in zekere zin de plaats van Israël hebben ingenomen, waarschuwt hij echter dat zij niet arrogant zouden neerzien op Israël maar juist in ontferming over hen bewogen zouden behoren te zijn, hetgeen helaas alles behalve het geval is.
Hebr.2:5-18 De Heer Jezus, de Zoon van God is Zoon des mensen geworden om voor ons te kunnen sterven, de dood van haar macht te ontroven en de mens te kunnen herstellen naar zijn oorspronkelijke roeping als heerser over deze aarde. Dit zal hij kunnen doen vanwege zijn verbondenheid met de laatste Adam die een eeuwige heerschappij zal hebben.
In deze lezing wil ik u meenemen naar een van de centrale kenmerken van de brief. Vanuit het langste citaat uit het OT laat de schrijver zien dat God al lang geleden een nieuw verbond beloofd had. En dit is een verbond waarvoor de Heer Jezus borg staat door zijn bloed. Het verbond wordt gekenmerkt door wedergeboorte, kennis van de Heer en volledige vergeving van zonden. En daarmee werd het oude verbond terzijde gesteld.
De schrijver van de brief laat aan de lezers zien dat het offer van de Heer Jezus superieur is aan alle offers van het oude verbond. Maar ook laat hij daarmee zien dat er zoveel offers waren vanwege de vele verschillende facetten van het offer van de Heer. Het verlost ons van de zonde, het reinigt ons van een zonde-geweten waardoor we vrijmoedig kunnen en mogen naderen tot God Zelf in het hemels heiligdom. Het offer van de Heer, waardoor Hij Zijn bloed gaf in plaats van ons leven is de herdenking van het grote verlossingswerk dat Hij volbracht heeft.
Heb.10:1-25 Hoewel God de dierenoffers in het oude testament geboden had, had Hij daar toch geen behagen in. Ze konden niet werkelijk de zonden wegnemen en ook de offeraar had maar zeer kortstondig baat bij de vergeving. Uiteindelijk waren het ook alleen typen van het offer van de Heer Jezus. Het offer van Zijn lichaam, gebracht in liefdevolle gehoorzaamheid aan Zijn Vader, heeft daadwerkelijk de zonden weggenomen. En dit geeft ons volle vrijmoedigheid om tot God in de hemel te naderen. Het zondeprobleem is opgelost; de vergeving volkomen en eens en voor altijd.
In dit gedeelte roept de schrijver de gelovigen op tot standvastigheid in het geloof. Zij hadden in het verleden veel geleden maar hadden door het verlies van moed de neiging het geloof te verlaten en de Heer te loochenen. Hij roept hen echter op vast te houden omdat volharding in het geloof nu juist het centrale kenmerk van een leven is waarin God een welbehagen heeft. Hij zal vervolgens aan de hand van de galerij der geloofsgetuigen laten zien dat God achter de gelovige staat. Verder gaat hij hier in op de vraag wat dan precies dat geloof inhoudt om te eindigen dat het juist de Heer Jezus is die ons in dat geloof is voorgegaan en Die ook de Inhoud van dat geloof is.